Meer dan één
Applicatiebeheer — deel 6
Eén kopie is niet genoeg als de vrijdagavond losbarst. Joost leert opschalen, en moet afscheid nemen van de machine die hij twintig jaar in leven hield. Luister mee.
Concepts
Het was een donderdag, de dag dat Bertha uit zou gaan, en Joost wist het al toen hij wakker werd.
Hij had het de avond ervoor op de planning zien staan. Vandaag werd de oude zaal afgeschakeld, de laatste machines, en Bertha was er één van. Hij had er niet over geslapen. Niet omdat hij bang was. Maar omdat hij wist dat hij vandaag iets moest loslaten dat hij twintig jaar had vastgehouden, en hij wist nog niet hoe dat zou voelen.
Maar eerst was er werk. Ravi had gezegd dat ze vandaag bij Spelveld zouden kijken, het platform met de spelers en de vrijdagavond-pieken, en dat het tijd was voor het stuk dat alles bij elkaar bracht.
Eén is niet genoeg
"Je hebt geleerd om een wens neer te leggen," begon Ravi. "Dit hoort te draaien. Eén programma, één groepje. En het systeem houdt dat overeind."
"Ja," zei Joost. "En de waakhond herstelt het als het omvalt."
"Klopt. Maar nu komt de vrijdagavond." Ravi tekende een kromme lijn die steil omhoog liep. "Bij Spelveld stromen de spelers binnen zodra de mensen klaar zijn met werken. Duizenden tegelijk. En één draaiend programma, hoe goed bewaakt ook, gaat die drukte niet aan. Het loopt vol. Het wordt traag. Het bezwijkt."
Joost knikte. Dit kende hij uit zijn eigen verleden. De piek die een machine plat legde. De avonden dat hij toekeek hoe de belasting opliep en hij niets kon doen dan hopen dat het hield.
"Dus wat je nodig hebt," zei Ravi, "is niet één kopie. Je hebt er veel nodig. Veel kopieën van precies hetzelfde programma, naast elkaar, die samen de drukte opvangen. En als de piek voorbij is, weer minder, want kopieën die niets doen kosten alleen maar."
"Veel van hetzelfde," zei Joost. "Dat heb ik vroeger ook geprobeerd. Met een scriptje. Ik liet hetzelfde programma een paar keer starten op verschillende machines om de last te verdelen."
"En hoe ging dat?"
Joost trok een gezicht. "Brak. Het scriptje hield niet bij welke er nog draaiden. Als er eentje omviel, miste ik het. Als ik er een wilde bijzetten, moest ik het met de hand. Het was lapwerk."
"Dat is precies het verschil," zei Ravi. "Wat jij met een scriptje deed, kun je hier neerleggen als een wens. Maar dan een wens met een getal erbij."
Houd er een aantal in leven
Ravi tekende een rij rondjes naast elkaar.
"In plaats van zeggen 'dit hoort te draaien', zeg je: 'hiervan horen er vijf te draaien.' Dat is je wens. Een aantal. En het systeem houdt dat aantal in leven. Precies vijf, de hele tijd."
"En als er eentje omvalt," zei Joost.
"Dan telt het systeem dat het er nog maar vier zijn, terwijl je er vijf wilde. Het gat tussen wens en werkelijkheid. En het zet er een nieuwe bij tot het er weer vijf zijn. Hetzelfde mechanisme als de waakhond, alleen telt het nu niet tot één, maar tot het getal dat jij hebt opgegeven."
"En dit ding," vroeg Joost. "Die wens met een getal erbij, die bewaakt en in de lucht houdt. Hoe heet dat?"
"Dit, een gewenst aantal kopieën dat bewaakt en in de lucht gehouden wordt, heet een Deployment," zei Ravi. "Onthoud het woord. Verder is het gewoon wat je net begreep. Een aantal, en het systeem houdt het overeind."
Joost zag het meteen voor zich. Dit was zijn brakke scriptje, maar dan betrouwbaar. Dit was wat hij twintig jaar had willen hebben en nooit goed had gekregen.
"En de vrijdagavond," vroeg hij. "De piek."
"Dan verander je gewoon je wens." Ravi haalde zijn schouders op alsof het niets was. "Het loopt vol op vrijdagavond? Je zet het getal omhoog. Van vijf naar twintig. Het systeem ziet dat er vijf draaien en dat je er twintig wilt, en het zet er vijftien bij. Is de piek voorbij, zet je het getal weer terug naar vijf, en het systeem ruimt de overtollige op. Opschalen en afschalen is niets meer dan je wens bijstellen."
"Een getal omhoog," zei Joost zacht. "En het regelt het."
Ravi hief een hand. "Voordat je denkt dat het toveren is. Het regelt het, ja, maar niet altijd op het knippen van je vingers. Zet je het getal omhoog, dan moet voor elke nieuwe kopie eerst die bevroren foto ergens vandaan gehaald worden, en dat duurt even, vooral de eerste keer. En als er geen plek meer is op de machines die draaien, moet er soms eerst een nieuwe machine bijkomen, en die moet opstarten. Dan staat je getal wel op twintig, maar er draaien er nog acht, en jij staat te kijken tot de rest erbij is."
Joost trok een wenkbrauw op. "Dus ik wacht."
"Dan wacht je. Niet lang meestal, maar het is geen knop waar het licht meteen aangaat." Ravi zei het zonder er omheen te draaien. "Ik vertel je dat liever nu dan dat je het op een vrijdagavond zelf ontdekt. Het is een ander soort wachten dan jij kende, maar het is er wel."
Joost knikte langzaam. Dat luchtte op, vreemd genoeg. Een systeem dat alles meteen beloofde had hij niet vertrouwd. Dit klonk eerlijker.
"Maar verder," zei Ravi. "Geen scriptje, geen handwerk, geen avond toekijken of het houdt. Je verandert één getal in je wens, en het systeem doet de rest."
Huisdieren en vee
Joost leunde achterover, en er kwam een gedachte op die hij niet meteen kon plaatsen. Het had iets met Bertha te maken. Het had alles met Bertha te maken.
"Bij mij," zei hij langzaam, "had elke machine een naam. Nou ja, in mijn hoofd. Ik kende ze. Ik wist welke 's nachts kuren had, welke je voorzichtig moest opstarten, welke een eigen karakter had. Ik hield ze in leven. Als er eentje ziek werd, ging ik er niet vanuit dat ik hem zou vervangen. Ik ging hem beter maken."
Ravi luisterde, en hij zei niets, omdat hij voelde dat Joost ergens naartoe ging.
"Maar deze kopieën," zei Joost. "Die vijf, die twintig. Die hebben geen naam. Die ken ik niet. Als er eentje omvalt, maak ik hem niet beter. Ik gooi hem weg en er komt een nieuwe voor in de plaats, precies hetzelfde, en het maakt niet uit welke. Ze zijn inwisselbaar."
"Dat is het," zei Ravi rustig. "Dat is precies het omslagpunt. Vroeger waren je machines als huisdieren. Je kende ze, je gaf ze een naam, en als er een ziek werd, verzorgde je hem tot hij weer beter was. Nu zijn ze als een kudde. Veel, naamloos, inwisselbaar. Valt er een om, dan rouw je er niet om. Er komt gewoon een nieuwe bij. En juist daardoor is het geheel veel sterker. Want er is geen enkele kopie die zo belangrijk is dat alles instort als hij wegvalt."
Joost zat heel stil. Hij begreep het. Hij begreep het zelfs goed, en hij zag waarom het beter was. Een systeem dat niet leunt op één geliefde machine is sterker dan een systeem dat dat wel doet. Hij wist het. En toch voelde het als verlies.
"En Bertha," zei hij.
"Bertha was een huisdier," zei Ravi zacht. "De allerlaatste. En vandaag gaat ze uit."
Het afscheid
Ze liepen samen naar de oude zaal. Ravi had aangeboden mee te gaan, en Joost had niet geweten of hij dat wilde, maar nu was hij blij dat hij er was.
Het ketelhuis was al half leeg. De meeste rekken stonden donker. Het lage gebrom dat er twintig jaar had geheerst, opgebouwd uit honderd ventilatoren, was teruggevallen tot bijna niets. Alleen achterin draaide er nog één. Joost liep ernaartoe zonder erbij na te denken, en hij legde zijn hand op de zijkant, op de plek waar het metaal altijd warm was geweest.
Ze trilde nog. Ze leefde nog.
Hij dacht aan alle nachten. Aan de keren dat de pieper was gegaan en hij hierheen was gereden in het donker, of vanuit bed had ingelogd terwijl Mirjam zich omdraaide. Aan de keren dat hij hier had gestaan met zijn hand precies zo, en had geluisterd of het geluid klopte. Hij had deze machine beter gekend dan zijn eigen hartslag. En straks zou ze stil zijn, en koud, en zou niemand meer luisteren naar haar geluid omdat het er niet meer zou zijn.
"Het is gek," zei hij tegen Ravi, zonder zich om te draaien. "Ik weet dat het beter is. Dat snap ik echt. Twintig naamloze kopieën zijn sterker dan één Bertha. Ik zou een dwaas zijn om dat niet te zien."
"Maar?"
"Maar ik heb haar twintig jaar in leven gehouden. En je neemt geen afscheid van twintig jaar zonder dat het iets doet."
Ravi knikte. "Nee. Dat moet ook niet. Je hoeft niet te doen alsof het niks is. Het ís iets."
Joost liet zijn hand nog even liggen. Toen, langzaam, haalde hij hem weg.
Iemand achterin schakelde het laatste rek af. De ene ventilator die nog draaide, viel stil. En toen was het geluid weg. Voor het eerst in twintig jaar was het ketelhuis helemaal stil, en die stilte was harder dan al het gebrom bij elkaar was geweest.
Bertha was koud aan het worden onder zijn hand. Joost bleef nog even staan, en toen draaide hij zich om.
"Goed," zei hij. Zijn stem was iets schor. "Ze heeft het goed gedaan."
"Dat heeft ze," zei Ravi.
Ze liepen samen de zaal uit, en Joost keek niet meer om. Niet omdat het hem niets deed. Maar omdat hij wist dat omkijken het alleen maar zwaarder zou maken, en dat Bertha het niet erg zou vinden, want Bertha was een machine, en de man die haar twintig jaar een naam had gegeven wist dat zelf het beste van iedereen.
Buiten was het licht en gewoon. Mensen liepen voorbij met koffie. Het kantoor zoemde door alsof er niets was gebeurd, en op een bepaalde manier was er ook niets gebeurd, behalve voor Joost.
Die avond vertelde hij het aan Mirjam. Dat de oude zaal dicht was. Dat de laatste machine uit was gegaan en dat hij erbij was geweest. Hij verwachtte dat ze het klein zou houden, een paar woorden, en dat was prima geweest. Maar ze keek hem aan en ze zei: "Dat was jouw plek. Twintig jaar. Het mag iets doen dat hij weg is."
"Het was maar een machine," zei Joost.
"Het was niet maar een machine," zei Mirjam. "Het was waar je naartoe ging als je 's nachts werd weggeroepen. Het was de helft van ons leven, op een rare manier. Het mag iets doen."
En Joost merkte dat het inderdaad iets deed, en dat hij dat de hele dag had weggeduwd, en dat het opluchtte om het hier, aan zijn eigen tafel, even te laten zijn.
Later, toen het stil was, dacht hij na over de dag. Bertha was weg. Maar in plaats van die ene geliefde machine had hij nu iets anders geleerd. Een wens met een getal erbij. Houd er zoveel in leven. Schaal op als het druk wordt, schaal af als het rustig is. Veel naamloze kopieën in plaats van één naam die hij kende. Het was kouder, op een manier. Maar het was ook sterker, en het zou hem zijn nachten teruggeven, en daar had Mirjam ook recht op.
Hij had nu de bouwstenen. Een proces in een kamertje. Een momentopname uit de bibliotheek. Een klein groepje met één lot. Een waakhond die de wacht hield. Een wens in plaats van een lijstje. En kopieën die je op- en afschaalde. Stukje voor stukje was de nieuwe wereld minder vreemd geworden.
Maar er was iets dat hem nog niet helemaal lekker zat, een vraag die de hele week onder de andere had liggen wachten. Al die kopieën, naamloos en inwisselbaar, kwamen en gingen. Vandaag deze vijf, morgen vijf andere, vanavond twintig. Als de spelers van Spelveld binnenkwamen, hoe wisten ze dan waar ze moesten zijn? Je kon ze niet naar één kopie sturen, want die kopie kon elk moment weg zijn en vervangen door een andere. Hoe vond het verkeer zijn weg naar een kudde die voortdurend van samenstelling veranderde?
Joost wist het antwoord nog niet. Maar hij voelde, voor het eerst deze week zonder enige angst, alleen maar nieuwsgierigheid, dat het er een was die hij wilde weten.